Uut 't Wald | Brugge

Brugge

Zoek je in een puzzelwoordenboek naar synoniemen voor brug, dan krijg je er twee: prothese en gymnastiektoestel. Conclusie: voor een vaste verbinding tussen twee oevers bestaat in het Nederlands maar één woord: brug.
In het Achterhoeks kennen we er (uiteraard, zou ik bijna zeggen) een paar meer. In deze streek hebben we het ook wel over een brugge, maar in veel plaatsen spreekt men ook wel over een duker. In de zin van brug dus en niet te verwarren met die andere duker (duiker), zo'n betonnen buis waardoor het water onder de weg door stroomt. In de Liemers heeft men het trouwens niet over een duker, maar over een däöker. Veel minder bekend (misschien omdat het een alweer wat oudere benaming is) is het woord kruper. Dat zeggen ze in het Montferland en met name in Stokkum (nog steeds?), wanneer ze een brug(getje) bedoelen.
Welk woord je gebruikt, hangt vaak ook af van het soort oeververbinding. Een brug wordt alleen brugge genoemd als je er met een auto (of paard en wagen) overheen kunt rijden. En een duker heeft doorgaans een gemetseld gewelf. Een smal houten bruggetje (vaak met plaggen bedekt en zonder leuning) werd vroeger spikke genoemd. En was het bruggetje nauwelijks meer dan een smalle plank, dan sprak men van een vootbrugge of een badding.
Maar voor een klein bruggetje wordt vooral het woord vonder veel gebruikt. Opnieuw: niet te verwarren met het woord vlonder. Die ene letter maakt nogal wat verschil, want een vlonder is een uitbouw aan de waterkant, waarop de vrouwen vroeger de was deden. Eigenlijk een halve brug dus.

Meer berichten