Foto: Nick Oostendorp

Column Eva Schuurman - Rijp

Rijp

"Doe mij maar kou in plaats van nattigheid hoor!" of "Wat is het toch mooi helder als het vriest hè?" en "Deze zon schijnt het hardst zeggen ze." Monter mompel ik mee in wachtrij of gezelschap en snoer mijn kraag onderwijl nog een knoopje aan, het is gaan vriezen en overal staat de verwarming aan. Iedere ochtend steek ik voorzichtig één teen buiten het bed als ware de kamer een pas opgezet zwembadje. Schrikachtig trek ik mijn voet terug onder de deken; de kleren zijn kil, de ketel slaapt en buiten is het donker.

Daar deint water op grasvelden die langzaam tot ijsbanen verworden en groeien ijsbloemen aan binnenkanten van auto's met portieren die niet openen willen. Komen benzinedoppen niet los van de basis en start ook jij sputterend op. Krab je het weertype van de ruiten en hoor je ijsvogels fluiten.

Binnen liggen ingedutte schaatsen in mandjes op kasten en overlopen, of slechts een zoldertrap verwijdert van de werkelijkheid; het is ijskoud, straks vriezen tenen richting warme chocolademelk en dansen sjaals van voor de neus naar onder de kin. Schuifelt men als vanzelf of licht voorzichtig door een spoor van voorgangers met ijshockey-exemplaren die remmen met zo'n zijwaartse durfal-schuif die het kortstondig sneeuwen doet.

Terwijl jouw remweg zich nog altijd kenmerkt door de aanwezigheid van bomen of bermen plof je met je billen op een plastic zak. Met je tanden bijt je de wanten van je handen zodat je je veters aan kunt snoeren en daarna nog een poging waagt. Wetende dat jij over een half uurtje vooral droomt van haardvuurtjes en pantoffels, terwijl de rest met gemak nog een heel seizoen door kan. Plezier laat bij hen geen ruimte over voor kou, slechts wolkjes warme adem in de lucht doen ze vaag herinneren aan vorst en bibber.

Jij bent heus geen mislukt ijskonijn, ook jij bouwde best weleens een sneeuwpop en vond het soms trouwens niet eens erg dat je gebreide handschoenen niet waterdicht bleken. Maar vaker nog werden je lippen blauw, vreesde je sneeuwballen in je nek en dacht je aan de zon. Zoals ook je jongste deed die ene keer achterop de slee: "Weet je waar ik van houd mama? Van de zomer."

Voordat je de oudste uitzwaait check je hoe glad de bevroren plassen op de weg zijn. Ze moet hoe dan ook fietsen, maar het gebaar is nieuwsgierig liefdevol. In de badkamer heb je alvast de warme sokken klaarliggen die je vanavond over je andere sokken aantrekt. Terwijl je een jas pakt fantaseer je over het kopen van te grote schoenen waar je met je huissokken in past. De auto komt braaf tot leven en verwarmt de ruiten voor. In je wanten van alpaca-wol vang je onbedoeld resten schraapsel op die van de krabber spatten.

De hele weg houd je de wanten aan, de versnellingspook is bevroren en de blower zucht je zicht toe. Op de radio spreekt de weervrouw vol lof over de schoonheid van rijp, en jij weet enkel dat je nu al rijp bent voor de lente.


Meer berichten