Column Eva Schuurman - Bloot

  Column

Mijn dichthuisje staat op de Theaterweide van de Zwarte Cross, voertuigen knallen zich even verderop driftig over de baan en tegenover mij danst iemand in een openluchttheater. Stof huist al snel diep in mijn neus en al wat ik ophoest is zwart. De zon schijnt door mijn cabrio-dak en ik maak gedichtjes voor mensen die ik net pas leer kennen. Voor vriendinnen sinds de zandbak en eens digitale geliefden. Voor een vrouw die bewust solo geniet en kameraden die sinds jaar en dag vakantie vieren op deze velden.

Er schuiven twee ondeugende mannen bij me aan. Van buiten neigen ze ongeveer richting Abraham, maar van binnen eten ze nog altijd liga's. Hun ogen twinkelen en ze zijn nieuwsgierig naar wat ik doe. Vertellen me met bravoure en onder luid drankgelach dat ze zo intens hopen vandaag een vrouw met ontbloot bovenlichaam tegen het lijf te lopen. Of ik niet een lofdicht schrijven kan dat een dame in kwestie zover krijgt?

Aangezien ik nimmer zo'n brutaal en creatief verzoek kreeg, sla ik al mijn feminisme direct in de wind en sluit mijn dichtluiken. De mannen pogen nog baldadig iets toe te voegen door mijn gesloten venster, maar ik sommeer ze me met rust te laten. Ik voel mij een stoute juf; zo eentje die vermanend zijn moet, maar stiekem de humor van de schooljongens wel waardeert.

Wanneer ik mijn luikjes open kijken ze me verwachtingsvol aan. Net voor ik aanvang met voordragen vertellen ze me beiden een hele lieve vriendin te hebben. Ik gniffel tevreden en begin:

Dag lief onschuldig vrouwtje
dat alle jeugd nog rest
wij zien al van verre;
jij hoeft geen potloodtest.
Wat jij draagt heeft vreugde,
staat dapper overeind,
kind, het is toch zonde
dat je ze omheint.
Laat ze in de ruimte
en niet zo op een kluit,
schat, ze willen ademen;
laat ze er toch uit!
Dan zullen wij genieten
en luid applaudisseren
en alles wat jouw vrouw zijn is
met onze ogen eren.

De mannen vallen stil, dan kust de één mijn hand en roept de ander (proef op de som) direct een groep met zes vrouwen aan. Hij zet ze voor mijn venster op stoeltjes neer en draagt met luide stem het gedicht aan ze voor. Ze vinden hem ontwapenend en grappig en lachen stuk voor stuk hun tanden bloot. En dat, dat vinden die grootsprakerige mannen op dat moment zoveel mooier nog dan die blote boezem ooit zou kunnen zijn.

Meer berichten