Oerend Smart | Eén zwaluw maakt nog geen zomer

  Column

Veel mensen hopen dat we na de crisis een toekomst tegemoet gaan die beter in balans is. Maar zeker zoveel mensen zijn daar sceptisch over. “Als het straks weer kan, gaan we gewoon weer op dezelfde voet verder.” Een gedragsverandering vraagt nogal wat van ons als individu en van de overheid. Is het reëel om te hopen op een evenwichtiger toekomst?

‘Juist als de bommen uit de lucht vallen of de dijken breken, komt het beste in ons naar boven’. Met talloze psychologische, historische en evolutionaire bewijzen betoogt Rutger Bregman in zijn boek ‘De meeste mensen deugen’ dat in crisissituaties vrijwel nooit geweld of paniek uitbreekt of egoïsme hoogtij viert. Als er iets is dat rampen ons leren, stelt Bregman, is dat ze de moedige, sociale en creatieve inborst van de mens tonen.
Hoopvol, zou je denken, in deze wereldwijde coronacrisis. Misschien komen we er door de (her)ontdekking van onze humane natuur achter dat we de toekomst met meer zorg voor onszelf, elkaar en de natuur moeten inrichten. Maar kan deze opleving van solidariteit blijvende (gedrags)verandering voortbrengen?

Onlangs gaf emeritus-hoogleraar Paul van Tongeren een collegereeks bij de Koppelkerk over de deugdenethiek van Aristoteles. In de colleges probeerde hij het ethische gedachtegoed van deze oude denker in te zetten voor en te confronteren met ons leven nu, specifiek in deze coronacrisis.
Deugd klinkt als een stoffig woord uit een ver verleden, waar we wellicht soms met enige nostalgie op terugblikken. Maar deugd klinkt ook als iets strengs en moralistisch, iets wat van hogerhand wordt opgelegd. Totaal niet strokend bij de individuele vrijheid die we ervaren als burger anno nu. Kunnen we iets met het concept van de deugd, of is het een hopeloos gedateerd begrip?

Bij Aristoteles bestaat er niet zoiets als vastomlijnde deugden. De deugd is altijd het midden tussen een teveel en een te weinig. Waar dat midden ligt is voor ieder individu verschillend en zal door iedereen afzonderlijk moeten worden bepaald. Moed bijvoorbeeld is het midden tussen te veel angst en te weinig angst. Het houdt het midden tussen schuchterheid en roekeloosheid.
Het perfectioneren van onze levenshouding gaat niet over één dag ijs. Alle goede en slechte gewoontes die wij onszelf aanleren en overnemen van anderen slijten een weg in ons karakter. Hoe dieper we dat pad aanleggen, des te moeilijker het is om het over een andere boeg te gooien.

Een plotselinge gedragsverandering lijkt dan ook een illusie. Het trainen van ons goede been vergt oefening - een leven lang. En daarvoor zijn goede voorbeelden onontbeerlijk. Eén zwaluw maakt nog geen zomer. Ook niet in deze coronacrisis. Misschien kunnen we in ieder geval het motto van een leven lang leren praktiseren, zowel in ons dagelijks leven als in ons onderwijssysteem. Niet zozeer in het belang van onze kenniseconomie zoals het ministerie van OCW voorstaat, maar in het belang van een levenswaardig bestaan voor onszelf en de ander.

Sylvia Heijnen is oprichter van de Koppelkerk - vrijplaats voor kunst en cultuur in Bredevoort

Meer berichten
 

Dagelijks het laatste nieuws in je mailbox ontvangen?

Aanmelden