
Geef me uw neusgat
Het kost moeite om macht af te staan.
Schoorvoetend laat de overheid de omklemming van zijn burgers los nu de pandemie lijkt op te branden in tienduizenden besmettingen die zonder gevolgen blijven.
De IC’s stromen leeg, de verwachte grote druk op de verpleegafdelingen blijft uit. Het grote branden is strovuur geworden.
Maar corona-pas, mondmaskers en taboe verklaarde nachturen zijn nog niet weg, want strovuur blijft vuur - het kan oplaaien.
Ook het positief testen gaat door, in cijfers die hun piek achter zich hebben en die aan betekenis verliezen, het is een meten in het luchtledige.
Het RIVM wil evenwel blijven testen: om zicht te houden op het virus, op nieuwe varianten. De samenleving als onderzoekslaboratorium.
De burger is een test-aap. Geef me uw neusgat, geef me uw keel.
Misschien is dat allemaal wat zuur gesteld, maar we zijn het moe om gereduceerd te worden tot een ziektekiem, om zelf als een bedreiging gezien te worden of in de ander een bron te zien van virusdeeltjes.
Ik schreef hier al eerder; we zijn elkaar vies gaan vinden.
Dat is de schade van twee jaar spatschermen, maskers, afstand houden en ellebogen geven.
In een monumentaal hoekhuis dat ook ‘t Hoeckhuys’ heet was tot voor kort een kleine kapsalon gevestigd. Ik heb er wel eens naar binnen gekeken, het interieur was zo romantisch als het huis zelf, met veel crème en rood.
Nu zijn de rolgordijnen gesloten en hangt aan de voordeur een verklaring.
Het is een bittere tekst.
‘Beste klanten’ staat er. ‘Helaas moet ik u mededelen dat ik heb besloten met ingang van heden mijn salon niet meer te openen. De Corona Pandemie en de teleurstelling in diverse klanten heeft mij hiertoe doen besluiten. Na ongeveer vijftig jaar u van dienst te zijn geweest in mijn kapsalon en geconfronteerd te zijn geweest met een ernstige ziekte hebben veel klanten mij in de steek gelaten en heeft het geen zin meer mijn zaak voort te zetten.’
In dit schrijven komt nogal wat samen. Vijftig jaar kapper-zijn eindigt hier. Deels door een ernstige ziekte, en deels ook door corona, maar ook, zo klinkt het, door de ontrouw van klanten. Een bitter verwijt.
Hoe gerechtvaardigd dat verwijt is vermag ik niet te beoordelen, ik ben nog nooit een kapper trouw gebleven, maar onmiskenbaar is de bitterheid.
En om de een of andere reden geeft het schrijven ook uitdrukking aan de tijd, aan die periode van afstand en ellebogen, van isolement, van gebroken ondernemerschap en van aangetast sociaal weefsel.
Misschien zou ik hier niet over deze salon zijn begonnen als ik niet toevallig een bezoek had gebracht aan een kringloopwinkel in de stad.
Daar trof ik de stille restanten aan van de salon: de ingelijste spiegel, gevat in een crèmekleurig meubel in de vorm van een schouw, de kappersstoelen, de droogkappen, de werkwagen voor borstels, kammen en föhn, de wasunits, die bekkens om het achterhoofd in te leggen, en - heel verdrietig - een wandkaart met haarstukjes in verschillende kleuren van de firma Goldwell.
Ja, ook hier, afgedankt in de kringloop: de nalatenschap van de pandemie.