Afbeelding

Onlandse tijdingen | Een oefening in nostalgie

Onlandse tijdingen

Oh, al dat verdwijnen van de dingen.
Kleding, elektronica, pc’s, smartphones, camera’s, enzovoorts enzovoorts. Ik bedoel niet het zoekraken, maar het verdwijnen in nieuwe modes, nieuwe uitvoeringen, upgrades, terwijl in lagelonenlanden de productie op hoge toeren doordraait.
Wat is de levensduur nog van een wasmachine, een waterkoker, een telefoon, een laptop, een auto?

En iets van dat hoge verbruik van de dingen, van de furie van dat verdwijnen, slaat neer in de mens zelf: hij raakt zelf verbruikt, kan zich niet meer hechten, de dingen om hem heen verliezen aan waarde.
De brocantemarkt die zondag op de markten van Zutphen werd gehouden is een oefening in nostalgie.
Uitgestald in tientallen kramen tonen zich de dingen die hun leven wisten te rekken, gemaakt van tijden van voor de massaproductie, van standhoudende materialen.
Teilen en emmers van zink, pannen van emaille, valiezen van leer, lampetkannen van porselein, sierlijke Franse raamroosters - grilles - van smeedijzer; dit zijn de dingen van vóór het tijdperk van de plastics en de kunststoffen.
Ze zijn bewaar objecten voor verzamelaars en handelaren, uit de tijd gevallen kitsch, op zoek naar begeerte en verlangen naar het verleden.
Tussen de kramen lopen mensen die zich weer willen hechten. Ze willen weer de liefde voor de dingen voelen.
Ik ben er vroeg, op die markt, en zie hoe zorgvuldig de handelaren hun kramen inrichten. Elke kraam een decor, een schrijn, de dingen glanzen in uitgekiende composities, tussen vazen met zonnebloemen.
Ik ben er niet om iets te kopen; mijn zolderwoning staat vol met dingen die in de kringloop zijn gebleven, die het verdwijnen hebben overleefd.
Geldelijke waarde hebben ze nauwelijks, mijn bedlampen, mijn combi-oven, mijn pedaalemmer, mijn vazen - om me daaraan te herinneren heb ik de prijsplakkers laten zitten.
Op de markt gaat het me niet om die geldwaarde, ofschoon ik ernaar informeerde in het geval van een linnen doek met daarop de afbeelding van een Balinese kalender.
Tachtig euro, zei de handelaar wat lukraak.
Het doek was zestig jaar oud, was hem verteld, en het was met de hand beschilderd. ‘Maar,’ voegde hij eraan toe, ‘ik ben geen kenner.’
Ik bekeek de dingen, die een beetje mooi stonden te wezen, hun nut verloren, maar niet hun spirit.
De geëmailleerde reclameborden, het tafellinnen van damast, de opgezette hertenkop voor aan de muur, eronder een antiek percussie jachtgeweer, de koffergrammofoon en de transistorradio (met bluetooth), de etagères en bestekcassettes, de karaffen van kristal, de vogelkooien, de soldaatjes van tin, de grespotten, waar in Frankrijk ooit vlees en vis werd bewaard, een madonna onder een glazen stolp.
De zon scheen erop, het was een nazomerdag zonder hitte, een accordeonist speelde ‘La vie en rose’ en bij het scheiden van de markt zag ik hoe de handelaar zijn Balinese kalender maar weer oprolde.
De zomer leek even klaar met zijn verzengende werk, het evenementenseizoen was aangebroken, de ‘s Gravenhof lag volgestort met zand voor beachvolleybal, vanaf de toren van de grote kerk gleden gehelmde meisjes naar beneden via een strak gespannen tokkelbaan.
De kermis komt eraan.
De avonden lengen.

Wim Boevink