'Wat zea'j ??

Dat moest ik ongeveer 34 keer zeggen als de wel zeer dove Opa in 'Um'n olden Beernschot'. 't Was een leuke rol. De meeste onbenullige antwoorden geven omdat Opa de vraag niet verstond, altijd zeuren over z'n pielenden 'dee daor maor op 'n plas loopt te drieten'. Met de kop achter de krant stomme dingen zeggen over mensen die, voor Opa ongemerkt, de kamer binnen waren gekomen. Kortom de vrolijke noot in een verder toch wel ernstig stuk.
Maar 't was, zo ik al zei, een leuke rol. Een type, zo weggelopen uit de verhalen van de schrijver, Herman van Velzen. Maar 'k zat driekwart van de tijd als een ouderwetse Opa, naast het fornuis, echt 'an'n hook', in een ouderwetse rieten gemakstoel die we geleend hadden van Poolman. Dat was verder wel aardig. Als ik niets hoefde te zeggen, ging ik de krant lezen.
We hebben het vaak gespeeld en op een zaterdagmiddag ook voor de bejaarden in Zaal Nijenhuis. De hele middag waren we al met elkaar aan 't donderjagen geweest en tijdens het spel kreeg ik in eens het gevoel dat ik op een rotte peer zat te broeden. Ik begon te schuiven en te draaien maar het werd hoe langer hoe gekker en tenslotte zat ik met een onderbroek vol heten kolen, zo leek het. Het was bijna niet te harden. Toen ik eens wat rond keek zag ik dat Jof-Annie, achter de coulissen zat te schudden van het lachen. Toen kreeg ik het in de gaten! Hadden ze me het ijswater op de gemakstoel gedaan.
Zo was er iedere keer wat. Als 'provo' fietste ik eens op een witte fiets over het toneel. Dat was natuurlijk maar een pas of vijf. Op een keer bleek net voor ik op moest dat de ketting er af was. "Kom," zei ik tegen Henk en Bertus Kruisselbrink, "geef me even een duwtje". Nou, dat was niet tegen dovemans-oren gezegd. Ik kreeg een jens zodat ik het toneel op vloog en omdat de ketting er af was kon ik ook niet remmen en er zat niks anders op dan Willy Vering, compleet met het hele drumstel ondersteboven te rijden, want om van het hoge toneel in de Harmonie naar beneden te donderen leek me ook niks.
Één keer brak ik bijna m'n benen. Door de verschillende rollen liep ik nogal vaak op klompen. Op het toneel ook. Op die houten planken is het natuurlijk een gebolder van je welste. Dan zit er niets anders op dan de klompen vlak achter de deur te zetten en ze pas aan te trekken op het moment dat je op moest komen. Zo deed ik dus ook. Ik zette m'n klompen dicht bij de deur volgde in het boekje precies wanneer ik op moest komen, trok op dat moment gauw m'n klompen aan en stapte vrolijk en wel over het toneel. Maar toen op een keer, ik dacht dat ik te laat kwam want allemaal zeiden ze: I'j mot opkommen, Willem! Ik dook in m'n klompen, deed de deur al vast op en toen flikkerde ik als een neergeschoten haas op m'n buik door de deur. Hadden de jongens m'n klompen vast gespijkerd op de vloer, met een ruk ging de kap er af en flikkerde, zoals ik al zei op het toneel. Gelukkig lachte het publiek en met een smoesje kon ik me herstellen.
In een ridderstuk gespeeld voor schoolkinderen speelde m'n broer eens een ridder die aan het slot een gifbeker moest leeg drinken. Die werd hem dan gebracht door z'n huisknecht, in opdracht van de man die de ridder uit de weg wilde ruimen. Hij dronk dan met een vies gezicht een beker wijn leeg deed enige krampachtige trekken met z'n gezicht en stortte dan ter aarde. U kent het wel met Sinterklaas spelen die schoolmeesters dan z'n stuk voor alle kinderen, drie maal op een dag, 8 keer in 2 en 'n halve dag. Acht keer kreeg m'n broer een beker vol lekkere wijn aangeboden, behalve de laatste keer. Z'n medespelers die het maar lijdzaam moesten aanzien hoe hij die wijn opdronk boden hem de laatste keer een grote beker vol wonderolie aan. Het verhaal ging dat hij nog nooit zo echt had gespeeld.