Acht manieren om te geven…
Rabbi Maimonides onderscheidt acht graden van goed doen, van barmhartigheid.
De hoogste graad is, als je een arm mens zo bijstaat - door een gift te doen of een baan te geven - dat hij/zij daarna geen hulp meer nodig heeft. Zo’n mens kan voortaan vrij leven!
Een trede lager is, als je een iemand geld geeft zonder dat hij/zij weet van wie het afkomstig is en de gever ook niet weet aan wie het geschonken wordt. Dan geef je iets zomaar, anoniem, om de goede daad an sich.
Nog een trede lager is, als de gever weet, aan wie hij/zij het geeft, maar de ontvanger weet het niet. In het geheim, zonder dank je wel te verwachten, help je een bekende verder.
Een trede lager is, als de arme weet, van wie het geld komt, maar de gever weet het niet en wil niet weten, aan wie het toekomt.
En weer iets lager is, als je geeft aan iemand die je kent, voordat hij/zij erom vraagt. Je ziet, dat iemand hulp nodig heeft. Nog weer een trede lager is het, als je pas iets geeft, als iemand erom vraagt. Dat maakt de vrager wel kwetsbaar, zo hoog kan de nood zijn.
De laatste twee treden zijn gênant voor de ontvanger: je geeft erg weinig met een welwillend gezicht. Je vindt jezelf vooral gul of doet alsof. Het wordt echt vervelend, als je met een chagrijnig gezicht iets geeft. Blijkbaar geef je liever niks.
Hoe geef ik eigenlijk? Op welke trede bevind ik mij, als ik goed wil doen? De Bijbel vat het mooi samen met de woorden van een profeet, Jesaja: ‘Leer goed te doen. Zoek het recht, help de verdrukte, bied wezen bescherming, sta weduwen bij…’.
Het komt uit een boek van Rabbi Jonathan Sacks, ‘Een gebroken wereld heel maken’. Hij benadrukt, hoe belangrijk het is om voor elkaar verantwoordelijk te zijn. Als partners van de Eeuwige zelf zijn wij elkaar gegeven, om met liefde te scheppen, elkaar te eerbiedigen, de ander de hand te reiken.
Een andere rabbi schreef: ‘Toen God de wereld schiep, stelde Hij het werk van zijn handen – de mens – in de gelegenheid om deel te nemen aan zijn schepping. De Schepper liet de werkelijkheid als het ware onaf met de bedoeling dat de mens haar zou voltooien en af zou maken’.
Er is genoeg te doen! Laten we maar dichtbij beginnen! En mocht je denken: wat ik doe, helpt toch niet!, denk dan aan de uitspraak: Als je één mens redt, red je de hele wereld!