Vordenaar Wim Polman in Tweegesprek met Robert Ellenkamp op uitnodiging van het 4 mei Comité. Foto: Lenny Ellenkamp

Vordenaar Wim Polman in Tweegesprek met Robert Ellenkamp op uitnodiging van het 4 mei Comité. Foto: Lenny Ellenkamp

Moreel appél van Polman bij dodenherdenking

Maatschappij

VORDEN - “Besteedt de vele honderden miljarden om de honger, armoede en klimaatproblemen in de wereld op te lossen in plaats van het uit te geven aan de voorbereiding van een derde wereldoorlog.” Die oproep deed Wim Polman bij de dodenherdenking in Vorden op 4 mei. Er viel hem een groot applaus ten deel.

Door Robert Ellenkamp

Polman, geboren en getogen Vordenaar, was door het 4 mei Comité uitgenodigd. In een tweegesprek met Robert Ellenkamp vertelde hij over zijn oorlogservaringen. Hij was vijf jaar oud toen de oorlog uitbrak en hij door het opblazen van de brug in de Nieuwstad wakker schrok. “Het was een enorme knal. De etalageruit van onze winkel vloog er uit. Ik zag mijn moeder voor het eerst huilen. Omdat we bang waren dat het Nederlandse leger vanachter de IJssel op de Duitsers en ons dorp gingen schieten, evacueerden we voor één nacht naar de familie Schotsman aan de Heijendaalseweg.”

De eerste oorlogsjaren merkte Polman weinig van de oorlog. Hij herinnert zich wel dat het hoofd van de school, meester Vedder, zijn klas liedjes liet zingen met het raam open. Liedjes zoals ‘In naam van oranje, doe open de poort’. Ook herinnerde hij zich een Duitse inval bij hem thuis. “De Duitsers doorzochten ons hele huis en de werkplaats. Ze waren op zoek naar zilverwerk en andere spulletjes van De Wiersse. Die spullen moesten daar weg en mijn vader had het in twee kisten opgehaald en bij ons verstopt. Gelukkig werd het niet gevonden.”

Aan het einde van de oorlog namen de beschietingen toe door geallieerde vliegtuigen op onder andere de spoorlijn. Polman: “Dat waren de angstigste momenten voor mij in de oorlog. Mijn moeder hoefde mij op die momenten nooit te zoeken. Ik was een angsthaas en zat altijd als eerste in de kelder.”

De bevrijding staat Polman nog goed bij op 1 april 1945. Een kanonschot van een Canadese verkenningswagen die via de Ruurloseweg kwam, zorgde voor het terugtrekken van de Duitsers. “Die wagen reed door naar de boerenschuur naast café Jansen, nu hotel Bakker. Daar bleken drie Oostenrijkse soldaten te zitten, die werden meegenomen. De tanks kwamen later via Het Hoge en de Raadhuisstraat het dorp binnen en reden alle stenen op de kruising eruit. Ja, toen was het feest.”

Polman organiseerde in 2005 een groot bevrijdingsconcert in Vorden, omdat hij altijd erg dankbaar is geweest voor de bevrijders. Toen was het ook feest. Nu twintig jaar later met oorlog in Oekraïne en het Midden Oosten voelt dat anders. Op de vraag wat Polman daarbij denkt, droeg hij een korte verklaring voor met als sluitstuk zijn oproep om het geld voor wapens anders te besteden.

Namens de scouting droeg de zeven jarige Joris Bloemendaal een gedicht voor en vertelde Eddy Menkveld een waargebeurd verhaal van een Duitse piloot die na de oorlog in Zuid-Engeland excuses maakte voor het bombarderen. Ria Aartsen van de Raad van Kerken en voorzitter Ruth Maatman van het 4 mei Comité refereerden ook aan de oorlog in Oekraïne en Gaza. “We willen niet leven in een land waarin je alleen dat mag denken, wat de leider van het land vindt. De opdracht die we hebben, is om dat te voorkomen.”

Als laatste sprak Katherine Malin. De opa van haar man Simon overleed in Linde in 1942 toen zijn vliegtuig neerstortte. Peter Malin groeide op in Wigston en ging later werken in een pantyfabriek in Leicester. In 1939 meldde hij zich vrijwillig aan voor het leger. Vijf maanden na zijn dood werd zijn zoon Michael geboren. De dood van Peter bleef een groot mysterie voor de familie tot 2022. Toen ontdekten ze dat de geallieerde slachtoffers jaarlijks werden herdacht en hun verhaal werd verteld. Katherine bedankte mede namens Simon de Vordense gemeenschap daarvoor.

Op de begraafplaats sprak ze ter nagedachtenis in het bijzijn van ruim tweehonderd Vordenaren het gedicht ‘They grew not old as we’ uit.