
De families Wijler en Dommerholt. Lo Wijler is de voorover gebogen persoon op de voorgrond, voor zover bekend de enige foto van hem die bewaard is gebleven. Foto: Historische vereniging Old Reurle
De vergeten Achterhoekse razzia
MaatschappijACHTERHOEK - ‘Bij het ophalen van herinneringen aan de oorlogsdagen 1940-45 komt weer dat gevoel van machteloosheid, angst en verzet boven, vooral dat laatste. De dag dat onze Joodse medebewoners op een kar door gewapende Wehrmacht werden weggevoerd is een onuitwisbare gebeurtenis geweest.’
Door Guus Helle
Met deze woorden beschrijft een ooggetuige de arrestatie van bijna zeventig Joodse mannen door de Wehrmacht op 7 en 8 oktober 1941. De mannen komen uit Aalten, Borculo, Doetinchem, Hengelo (Gld), Ruurlo, Terborg, Winterswijk en Zutphen. Voor het einde van het jaar komen zestig van hen om het leven in concentratiekamp Mauthausen.
De ooggetuige beschrijft de razzia als een onuitwisbare gebeurtenis, maar niets is minder waar. “De razzia wordt nergens in de Achterhoek herdacht, bijna niemand weet nog dat dit is gebeurd", zegt Femke Visser, net afgestudeerd geschiedenisstudent aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Voor haar masterscriptie heeft ze onderzoek gedaan naar het zwijgen over de ingrijpende gebeurtenis: “Waarom is er nooit aandacht besteed aan de Achterhoekse razzia, destijds de derde grote razzia in Nederland?"
Vier ontbijtborden
Een van de bronnen die Visser in haar scriptie noemt, is het verhaal van Salomon Israël Wijler, roepnaam Lo. Op de vroege morgen van 8 oktober 1941 zit de Ruurloër samen met zijn vrouw Reina en twee logés aan de ontbijttafel in het woongedeelte van zijn winkel aan de Dorpsstraat. Hij schrikt op van gebonk op zijn deur en ziet door het raam acht Duitse soldaten staan. Met bajonetten op hun geweren proberen ze de deur van zijn manufacturenwinkel open te breken.
Wijler weet hoe laat het is en probeert zich te verstoppen in zijn huis. Zijn vrouw en de vrouw van een goede vriend uit Enschede die op bezoek is, kruipen samen in bed, zodat het lijkt alsof er geen mannen in huis zijn. De Duitsers laten zich echter niet voor de gek houden, op de keukentafel staan vier ontbijtborden. Wijler schreeuwt het uit wanneer hij wordt gevonden en weet nog net aan de greep van de soldaten te ontkomen. Hij snelt het huis uit, de voortuin in, maar loopt daar andere soldaten tegen het lijf.
Hij wordt tegen de grond geslagen en herhaaldelijk geschopt, zo erg dat zijn buren vermoeden dat hij is doodgeslagen. Toch komt hij overeind en wordt door de Duitsers gedwongen zich om te kleden en een koffertje te pakken. Voordat hij de overvalwagen in wordt geduwd schudt hij de hand van de lokale politieagent, die toekijkt met een aangeslagen uitdrukking op zijn gezicht. Wijler zijn buren en een aantal kinderen die op weg zijn naar school zijn getuigen van de razzia.
‘8 oktober wordt niet vergeten!’
Het verhaal van Lo Wijler, gebaseerd op ooggetuigenverslagen van zijn dorpsgenoten, is 60 jaar na dato opgetekend door amateurhistoricus Jan Oonk, van historische vereniging Old Reurle. Het is één van de zeldzame herinneringen aan de razzia die op papier is gezet. En daarmee een van de weinige bronnen waar Visser uit heeft kunnen putten voor haar onderzoek.
Visser doorzocht de archieven van tientallen kranten en grote gemeenten in de regio naar beschrijvingen van en reacties op de razzia. De oogst was teleurstellend: "Ondanks de impact van de razzia op de Achterhoekse gemeenschap is er destijds zo goed als niets over geschreven. Niet in lokale en landelijke kranten, niet door ambtenaren of politici."
‘Ondanks de impact van de razzia op de Achterhoekse gemeenschap is er destijds zo goed als niets over geschreven’
Haar enige gerenommeerde bronnen zijn het werk van andere historici, zoals Loe de Jong, die de razzia kort heeft beschreven, en zogenaamde egodocumenten, zoals brieven en dagboeken, gevonden in archieven als het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers (ECAL) en het Regionaal Archief Zutphen (RAZ).
Eén krant, een illegaal verzetsblad, wijdt wél een artikel aan de gebeurtenis: “In De verboden Arnhemsche courant van oktober 1941 wordt met afkeur gesproken over de razzia als ‘een van de vreselijkste ploertigheden van de Nazi-bende’”, aldus Visser. Opvallend is de titel van het artikel: ‘8 oktober wordt niet vergeten!’
Dit gebrek aan berichtgeving werkt door in de huidige tijd, legt Visser uit: “Wie online zoekt op ‘Achterhoekse razzia’ vindt maximaal vier websites die kort vertellen dat er een razzia is geweest, maar zonder veel details. En je vindt op de website van Achterhoek Nieuws een column van Jan Buter (1952-2020, red.), onder de naam Zwaleman. Hij stelt vragen bij het gebrek aan herdenking van de razzia.” Buter betreurt dat hij ‘waarschijnlijk de enige is’ die stilstaat bij ‘deze zwarte bladzijde in de Achterhoekse geschiedenis’.
![]()
De briefkaart die Reina Wijler ontvang nadat haar man was afgevoerd. Foto: Historische vereniging Old Reurle
Noodlot
Dit staat in sterk contrast met het andere grote moment van Jodenvervolging in het oosten van Nederland, de Twentse razzia. Van 13 tot 15 september 1941, ruim drie weken voor de razzia in de Achterhoek, zijn 105 Joodse mannen opgepakt in en rondom Enschede. Bijzonder genoeg ontspringt een vriend van Lo Wijler hier ternauwernood de dans.
Bernard Sanders, een geboren Lochemer, woont in de beginjaren van de oorlog in Enschede, met zijn vrouw en jonge zoontje. Hij werkt als handelsreiziger voor een textielfabriek in de stad. Wanneer de razzia begint op 14 september, staat de Wehrmacht in de vroege ochtend al voor zijn deur. Sanders is echter nergens te bekennen, hij is gewaarschuwd en weet te ontkomen. Wie hem waarschuwt is niet bekend, wel waar hij naartoe vlucht: de Achterhoek.
Hij duikt onder in Ruurlo, bij zijn goede vriend Lo Wijler. Zijn vrouw Josine en zoontje Johan verblijven in eerste instantie bij familie in Enschede, maar begin oktober bezoekt Josine haar man in de Achterhoek. Dit is waar ook zij geconfronteerd worden met het gebonk van Duitse geweren op de winkeldeur aan de Dorpsstraat. Terwijl zijn vriend Lo slaag krijgt van de Wehrmacht, probeert Sanders zich te verstoppen op het balkon. Echter wordt ook hij gevonden en in de overvalwagen gezet. Hij kan het noodlot niet langer ontlopen.
De Twentse razzia
Waar de Achterhoekse razzia werd gevolgd door een oorverdovende stilte in pers en politiek, is dit in Twente anders. "Burgemeester Johan Rückert van Enschede sprak namens alle Twentse burgemeesters bezwaar uit over de inzet van de lokale politie", aldus Visser. "Bij beide razzia’s verleenden politieagenten en niet-NSB’ers medewerking bij de arrestatie van Joodse inwoners. Niet meedoen kon leiden tot ontslag, of erger." Maar in Twente maakte de politiek wel bezwaar, met resultaat: "Hierna zijn agenten een aantal weken niet ingezet bij andere acties."
Ook geestelijke leiders kozen voor protest: "Zowel protestantse als katholieke geestelijken kwamen bijeen in de Grote Kerk in Enschede. Ze schreven een bezwaarbrief gericht aan de Wehrmachtsbefehlhaber, de hoogste militaire bevelhebber in bezette gebieden." Ondanks dat ook in de krantenarchieven in Twente nauwelijks artikelen over de razzia te vinden zijn, heeft het bezwaar van de kerk en de politiek er wel voor gezorgd dat het in het openbaar besproken werd, aldus Visser.
Online is het verschil ook te zien: "Wie zoekt op ‘Twentse razzia’ vindt een beduidend aantal resultaten. De gebeurtenis heeft een eigen Wikipedia-pagina waar, naast een overzicht van wat er is gebeurd, ook de weerstand en de maatschappelijke impact worden onderstreept."
Herdenking
Dat zo anders is gereageerd op de twee razzia’s heeft doorwerking op de mate waarin ze herdacht worden, legt Visser uit: "In de Achterhoek wordt het vrijwel helemaal niet herinnerd, er is geen monument en het heeft geen plaats in de jaarlijkse herdenking van de Tweede Wereldoorlog. Terwijl in Twente het nog altijd een belangrijke plek in het collectief geheugen heeft en het is opgenomen in de lokale herdenkingscultuur."
Een eerste herdenkingsmoment vond al plaats op 6 oktober 1941, blijkt uit notulen van de kerkenraad van de Joodse gemeente in Enschede. In 1991 is een monument ter herinnering aan de Twentse razzia onthuld bij de synagoge in Enschede, waar de razzia jaarlijks wordt herdacht. Het opschrift van dit monument luidt: ‘Met de razzia van 14-9-1941 begon de Jodenvervolging. Ter nagedachtenis aan de meer dan 700 Joodse medeburgers die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn vermoord’.
Het contrast met de Achterhoek is opmerkelijk, aldus Visser: “Voor de razzia in de Achterhoek geldt hetzelfde, de arrestaties van de 68 mannen in oktober 1941 markeerde het begin van de Jodenvervolging in de regio. Toch is in de Achterhoek de herinnering aan deze gebeurtenis grotendeels vervaagd en ontbreekt een vaste plaats voor de razzia in de regionale herdenkingspraktijk.”
Goed en fout
Waarom reageerde de Achterhoek zo anders? Die vraag probeerde Visser in haar onderzoek te beantwoorden. Goed-fout denken is de eerste factor. In de Achterhoek gaat, net als in de rest van Nederland, bij het herdenken van de Tweede Wereldoorlog veel aandacht naar onderwerpen waarbij de scheidslijn tussen goed en fout duidelijk is, zoals het verzet en bombardementen. Visser: "Het verzet bestond uit goede mensen, die de strijd aangaan met de bezetter. De bezetter was fout, net als de collaborateurs die hen hielpen."
De razzia is minder zwart-wit: "Er zijn verhalen van burgers en politieagenten die actief meewerkten aan de razzia. Ook zijn er verhalen over agenten die juist de namen van af te voeren Joden uitlekten." Dat Achterhoekers in dit verhaal zowel goed als fout waren maakt het ingewikkeld. Dit speelde volgens Visser een grote rol in dorpen als Aalten en Winterswijk: "Naast dat er veel onderduikhulp werd geboden, woonden er ook bovengemiddeld veel NSB-aanhangers."
![]()
Historicus Femke Visser met haar onlangs behaalde diploma. Foto: eigen foto
Solidariteit
Dit strookt niet met het zelfbeeld wat Achterhoekers hebben van de oorlogsjaren: "In de herinnering aan de oorlog wordt in de Achterhoek veel nadruk gelegd op verzet, onderduikhulp en solidariteit", legt Visser uit. "Dat er burgers en ambtenaren waren die de Duitsers actief hielpen spreekt dit tegen."
Ook het uitblijven van een reactie vanuit de Achterhoekse kerken en politiek past niet bij het positieve narratief. Juist deze stiltes zijn veelzeggend volgens Visser: "Ze wijzen op een institutioneel zwijgen dat de zichtbaarheid van de razzia in de publieke herinnering mogelijk heeft beperkt."
Slachtoffers
Deze dubbele gevoelens speelden ook door in het concept van slachtofferschap. Doordat Achterhoekers in meer of mindere mate medeplichtig waren, konden ze het leed van de slachtoffers maar moeilijk erkennen, aldus Visser: "Het leed is verweven met medeplichtigheid of passiviteit. Zelfs wanneer de pijn onmiskenbaar is, is herdenking hierdoor niet vanzelfsprekend."
In haar masterscriptie geeft de onderzoeker een sprekend voorbeeld, het dagboek van Jo Holleman, een huiswerklerares uit Zutphen. Ze beschrijft dat ze het vreselijk vond dat haar vader tijdens de razzia weigerde Joodse onderduikers in huis te nemen, terwijl het ‘gebruikelijk is voor Christelijke gezinnen om Joodse gezinnen te helpen’. Het uitblijven van deze solidariteit leidde tot schaamte en zelfverwijt. En daarmee tot zwijgen in plaats van herdenken.
Vergeldingsactie
In Twente waren deze factoren ook aanwezig, aldus Visser, maar hebben ze een plaats gekregen in de traditionele herdenkingskaders: "De razzia kwam daar heel duidelijk als vergeldingsactie voor verzetsdaden, het doorknippen van een militaire telefoonlijn, en kan dus worden gezien als straf voor goede acties."
Daarnaast was er ook minder twijfel over wie onder de slachtoffers gerekend kunnen worden: "Doordat de geestelijken en burgemeesters zich uitspraken tegen de razzia en specifiek tegen de inzet van politieagenten, worden velen die mee hebben gewerkt aan zelf ook gezien als slachtoffers. Ze hadden geen keuze."
Dat was in de Achterhoek anders. Visser: “Er was destijds veel verzet in de Achterhoek, ook een incident vlak voor de razzia. Maar de dader hiervan was al opgepakt en berecht, dus was er niet één duidelijke aanleiding voor de razzia te benoemen." En dus konden Achterhoekers de razzia moeilijk in verband brengen met het ‘goede’ verzet tegen de ‘foute’ bezetter, in tegenstelling tot de bombardementen in Doetinchem en Zutphen.
"Die passen volledig in het traditionele herdenkingskader. Het leed werd veroorzaakt door de bezetter. Er is sprake van collectief slachtofferschap, dus je hoeft het niet te verdringen. En het past duidelijk in het goed-fout denken. Hierdoor word je niet geconfronteerd met de eigen betrokkenheid."
Ze houden zich flink
Het was makkelijker de razzia te verdringen, dan onder ogen te zien. Visser: "Er was geen sprake van collectief verzet of van collectief slachtofferschap. En dat heeft ertoe geleid dat nog maar een enkeling weet dat de razzia heeft plaatsgevonden, wat niet vergeten mocht worden is toch vergeten."
Het laatste bericht van Lo Wijler en Bernard Sanders komt kort na de Achterhoekse razzia. In een brief, gericht aan Reina Wijler, de vrouw van Lo, wordt gevraagd onderbroeken, handschoenen en truien op te sturen, ‘voor Lo en B. Sanders’. Het bericht eindigt met: "Ze houden zich heel flink. Maak u geen zorgen. Alles komt goed."
Echter na hun aankomst in concentratiekamp Mauthausen op 11 oktober wordt snel duidelijk wat hen in het vooruitzicht staat: kou, honger, willekeurig geweld en zwaar fysiek werk in de nabije steengroeve. Het concentratiekamp hanteert een van de hardste strafregimes van de oorlog, wat tot de dood leidt van bijna de helft van alle gevangenen.
Zo ook voor de twee vrienden. Bernard Sanders komt om op 17 oktober, nog geen twee weken na de razzia, en ook Lo Wijler haalt het einde van de maand niet, hij sterft op 30 oktober 1941. Van beiden is geen doodsoorzaak bekend.