
Herman Revelman, de dichtende drogist van Zutphen
CultuurZUTPHEN - Schrijver en Luxor-directeur Hans Heesen heeft een zwak voor drogist en dichter Herman Revelman. Begin vorige eeuw was hij met zijn ‘middenstandspoëzie’ een soort stadsdichter avant la lettre. Heesen dook in het werk van Revelman en stuitte tevens op enkele spottende kritieken.
Door Hans Heesen
In deze tijd van het jaar moet ik altijd aan de dichtende drogist Herman Revelman denken.
Over Revelman, geboren in Zutphen op 15 december 1861, is in de letterkundige archieven en naslagwerken niet meer te vinden dan de summiere vermelding dat hij drie bundels op zijn naam bracht met verzen gewijd aan Zutphen en plaatselijke gebeurtenissen: Ernst en luim (Zutphen 1907), Gedichten (Zutphen 1909) en Gedichten; Tweede bundel (Zutphen 1910). In zijn winkel aan de Groenmarkt 29 verkocht hij ‘drogerijen, chemicaliën, verfwaren, vensterglas, minerale wateren, carboleum, enz.’
![]()
Versierde etalage bij de winkel van Herman Revelman t.g.v. het onafhankelijkheidsfeest ter herdenking van het 100-jarig bestaan van het Koninkrijk der Nederlanden. Foto: Collectie Erfgoedcentrum Zutphen, fotonummer SZU002031428_0002
Regelmatig gaf hij zijn verzen gratis mee, zoals op een reclamebiljet dat de klant opriep zijn benodigdheden uitsluitend bij Revelman te kopen. Naast aanbevolen producten als ‘zuiver marmerslijp in pakken van 15 cent’, ‘Vlek-weg stiften à 10 cent’ en ‘Dr. Brown’s 1a middel tegen kaalhoofdigheid potje ƒ1,-’ stonden bijvoorbeeld twee van Revelmans gedichten afgedrukt, waaronder een lofzang op ‘Zutphen’s taal’:
In de Mei, waren twee vinkskes getrouwd,
zèe hadden van heuj en van veerkes,
hun eenvoudig nesjen gebouwd,
Enz.
Revelmans bundels waren ‘niet in den handel’. Hij gaf ze in eigen beheer uit in een kleine oplage voor vrienden en sympathisanten. Revelman dichtte voor zijn plezier en heeft met zijn werk nooit de kritiek gezocht, maar hij kon niet voorkomen dat de kritiek hem wel vond.
![]()
Cover Ernst en Luim van Herman Revelman.
Op 19 oktober 1912 verscheen een bespreking van Revelsmans dichtkunst in Rostra, het Orgaan van den Nederlandschen Gymnasiastenbond. Zij was ongetwijfeld afkomstig van een snaakse Zutphense gymnasiast die zijn naam niet prijsgaf maar zijn recensie, gedrenkt in vileine, jeugdige spot, ondertekend met het anonieme ‘Criticus’.
Hier volgt het stuk:
Iets over den dichter H. Revelman en zijne werken
Ofschoon deze moderne en hoogst origineele dichter te bescheiden geweest is om zijne gedichten de wereld in te sturen en hij dus slechts een kleine kring van bewonderaars er van laat genieten, heeft hij mij toch toegestaan hier eene beoordeling over zijne werken neer te schrijven.
Aan eene geheel volledige beschrijving van ’s mans persoonlijkheid en dichterlijke talenten, durf ik mij niet te wagen om de eenvoudige reden dat men voor de juiste weergave van een zóó veelzijdig genie zeker een geheele jaargang van de Rostra tot zijn beschikking zou moeten hebben.
Laat ik mij daarom slechts er toe bepalen u met enkele verzen in kennis te brengen, waaruit zijne persoonlijkheid het sterkst spreekt en laat ik u daarbij mogen wijzen op de diepe gedachten, die dikwijls achter één zoo’n regel schuilen en op de vele verborgen schoonheden van vorm en inhoud, die voor den oppervlakkigen lezer misschien teloor zullen gaan.
Van alle gedichten over verschillende onderwerpen, die ik van hem gelezen heb […] bevalt mij toch het best één, dat tot titel heeft ‘De Rijp op… (volgt datum en jaartal)’.
Merkt terstond op, lezers, hoe fijn gevoeld hier die nauwkeurige vermelding van den datum is! We hebben gedurende de laatste winters wel meerdere rijpdagen gezien en op allen zouden we R’s gedicht kunnen toepassen. Maar hieraan denkt hij zelf niet. Zijn vers toch is geen bombast, is maar niet wat geklinkklank van mooie woorden, neen, wat hij schrijft, dat heeft hij gezien en de rijp is hij nu juist gaan bekijken op dien eenen dag, die hij zoo precies aangeeft. De datum van dien dag staat met sneeuwwitte cijfers en letters in zijn ziel geschreven: daarom moest hij dien boven het gedicht zetten.
Maar het is vooral op het laatste couplet dat ik uwe aandacht wilde vestigen.
Nadat de dichter ons de schoonheid der met rijp beladen boomen heeft geschilderd, vervolgt hij aldus:
Des zomers, als ik buiten geniet
– dit doe ik vaak –
Raak ik wel eens aan tak of struik
uit louter vermaak.
In deze twee regels ligt zijn gansche dichterziel besloten. Zag men ooit grooter liefde tot de Natuur?
Mij dunkt, ik zie den dichter reeds buiten genieten. Hij doet dit vaak, dus hij zal zich voor zijne tochten wel een vouwstoeltje aangeschaft hebben.
Met dat stoeltje onder den arm wandelt hij voort door een breede boschlaan. Maar er is eenige onrust bij hem waar te nemen. Men ziet het hem aan dat, hoezeer ook zijne dichters-oogen, -ooren-en-neus genieten, hij toch nog niet voldaan is. Plotseling, ziet, daar doet hij een geweldige hoogsprong! Maar, helaas, de takken zitten te hoog. Hier is overleg noodig. Hij zet zijn stoeltje tegen den stam van een boom, klimt er op, rekt zich uit op de teenen, grijpt met begeerige hand omhoog, en… daar voelt hij een stroom als van gloeiend vuur door zijne aderen bruischen. Gansch de Natuur heeft hij aangeraakt in dien eenen tak. Nietwaar, lezer, dat is liefde, ware liefde, maar er komt nog meer! Grooter nog is de dichter waar hij zijn verlangens om aan tak of struik te raken met bovenmenschelijk kracht beheerscht, teneinde wat hij liefheeft niet te beschadigen.
Hoort maar:
Des zomers, als ik buiten geniet
– dit doe ik vaak –
Raak ik wel eens aan tak of struik
uit louter vermaak.
Deez’ winterdag deed ik het niet;
’t Sieraad was te schoon, te teer!
’t Was of ik een kunstwerk beschadigde,
Zulk schoon vergeet men niet meer’
[…]
Ik kan u dan ook niet beter raden dan te trachten de bundeltjes zelf eens in handen te krijgen, want een beschrijving moet wel ver beneden de werkelijkheid blijven.
Velen reeds heb ik ervan zien genieten, vergroot gij hun aantal!
Criticus
Ik heb even gedacht dat het geschreven zou kunnen zijn door D.A.M. Binnendijk, de latere literatuurcriticus die in Zutphen het gymnasium bezocht (zijn vader bestierde een hotel aan de Zaadmarkt) en in Rostra publiceerde, maar die was in 1912 pas tien jaar. Dus dat lijkt niet waarschijnlijk.
Een tweede recensie, op 10 september 1924 in de rubriek ‘Van Alles Wat’ in Het Volk. Dagblad voor de Arbeiderspartij, ondertekend door een zekere ‘H’, was zo mogelijk nog vernietigender.
Lees maar:
Dolhuis-poëzie voor Oranje
Het duizelt ons een weinig. Een lichtzinnige vriend stuurde ons een gedicht, dat op „Koninginnedag” in Zutphen aan het werd uitgereikt. Het was van den drogist Herman Revelman, die op de Groenmarkt woont. Het was gedrukt op prachtig, geschept Hollandsch papier. En het was zoo alles overdonderend van onzin in grootschen stijl, dat zelfs wij aan de rubriek „Van Alles Wat”, die veel gewend zijn, elkaar aankeken, de hand over ons voorhoofd streken en duizelig elkaar afvroegen of we soms nachtmerrie hadden. Maar het papier bleef geduldig liggen en droeg schaamteloos de dolhuis-poëzie van den drogist uit Zutphen, opgedragen (de poëzie) aan H. M. Een paar proefjes mogen we de naar verheven stemmingen snakkende Volk-lezers niet onthouden. Alleen: de keus is lastig. Enfin, ten slotte is alles goed. Ziehier de slinger „der klok”, die op hoog bevel van een drogist aan ‘t weven geslagen is:
Hoort het tikken der klok, haar slinger weeft de draden des tijds, seconden tot uren,
uren tot jaren, weeft licht en weeft schaduw, weeft herinnering, werkend aldoor,
die spoel van den tijd werkt in het gobelin der geschiedenis, tijds gewijde figuren,
weefde in het verleden jaar de fraaiste kleuren, ’n spiegelbeeld van blijvend bekoor.
Wat later is die slinger al veranderd in een ‘zwevenden spoel’ ; zie maar:
De spoel zweefde in het kostbaar doek van dit schoon tijdsverloop, ’n zacht en lief gebeuren,
’n verbond van jeugd, waaruit teedere lieftalligheid, ongekunsteld helder straalt,
’n samengaan van ontluikend lenteleven, in aanvallig donze kleuren,
waarvan de weerschijn „jeugdvertrouwen” in blijde frischheid op Nêerland nederdaalt.
Aan het slot komt de drogist, die plantkunde gestudeerd heeft, in volle opwinding voor den draad. Tenzij het is overgeschreven uit den catalogus van een bloemkweeker. Ziehier wat de befaamde klokkeslinger zooal door elkaar vlocht, al wevende als zwevende spoel.
Hij weefde: witte lelie, sneeuwklokjes, appelbloesem, dahlia, nemesia, geurige filet,
bloesem van persik, 0.-I. kers, pinksterbloem, kelkjes gentiaan in helder donker blauw,
kamperfoelie, tuiltjes van linden, lelietjes der dalen, mosroosjes juweelend
in zomerochtendstond met droppels verkwikkenden dauw.
Azalia mollis, zinnia, bloemen van vlammenden brem goudkleurig geel,
sierblad van varen, jasmijn, gladiool, welriekenden meidoorn, vergeet mij niet,
seringen, reseda, zonnebloem, fuchsia, viooltjes, geranium, lieve meizoentjes,
korenbloem, duizendschoonen, goudsbloem, pluimen van golvend slank riet.
Trossen acasia, spirea, hortensia, mombretia, lathyrus, rose duizend guldenkruid,
prachtpronkende bekoorlijke heerlijke rozen in geurige kleurige soort,
sierlijke tulpen, kostbare hyacinten; aldoor werkte en weefde de tijd
in dien prachtigen rand, al wat zonnig en mooi is, geest en oogen bekoord.
Onze vriend, die, zonder de gevolgen nauwkeurig te berekenen, ons dit ontzettende produkt op den hals schoof, eindigt zijn begeleidend schrijven aldus:
‘Ik heb op ’t gebied van „oranje-waanzin” al heel wat gezien, maar dit schoons spant dunkt me de kroon.’
Het is best mogelijk. Maar wij zijn dermate in de war geraakt, dat we het niet meer beoordeelen kunnen…
Als zelfs drogisten aan ’t dichten slaan, past het overigens niet de oranje-hysterie nog smadelijk te bejegenen. „Koningin en dichter heil!” Dat is het eenige, wat wij nog te zeggen weten!
H.
Vier maanden na deze smadelijke kritiek, op 1 januari 1925, trok Herman Revelman zich terug uit de zaak. Hij verhuisde naar Schupstoel 4, waar hij woonde tot zijn dood zes jaar later, op 10 januari 1931.
De dichtende drogist Herman Revelman was een makkelijk voorwerp van spot. Maar hij liet zich niet kisten door de laffe (want anonieme) spotkritieken in Rostra en Het Volk. Of misschien is het beter om te zeggen: het plezier dat hij had in het dichten won het van de ondergane vernedering. En dus ging hij dapper door met regelmatig een nieuw gedicht de wereld in te sturen, waarbij de jaarlijkse koninginnedagviering en favoriet onderwerp was, waarover hij niet uitgedicht raakte.
Revelman was een bekend en vooraanstaand inwoner van Zutphen. Oprichter, in 1896, en vurig promotor van de Verfraaiings-vereniging Zutphania, voorloper van de VVV, die tot taak had ‘de bevordering van de bloei van Zutphen en omstreken’. De vereniging was ambitieus en liet er geen gras over groeien. De eerste activiteiten waren het organiseren van het nationale kegelconcours, festiviteiten ter gelegenheid van de meerderjarigheidsverklaring van koningin Wilhelmina en het drukken van een gids van Zutphen in een oplage van vijfduizend exemplaren, die ‘gratis over het gehele land verspreid’ werden. Verder werden er plannen gemaakt voor een rondweg om de stad.
Te denken dat Revelman hiermee louter vrienden maakte, zou lichtzinnig zijn. Want de leden van twee al bestaande verenigingen, Zutphens Belang en Zutphen Vooruit, voelden zich door de nieuwe vereniging danig in hun wiek geschoten.
Niet alleen als bestuurslid van Verfraaiings-vereniging Zutphania, ook als dichter zette Revelman zich in voor de meerdere eer en glorie van Zutphen. In 1907 besloot hij zijn feestelijke uitgave ‘Ter gelegenheid van mijn 100ste gedicht over OUD en NIEUW ZUTPHEN’ met de regels:
Onze stad is mooi; betrekkelijk klein; toch groot,
groot in liefdadigheid en onderwijs en wat natuur ons bood.
Een ieder die ons Zutphen kent, houdt-hoog!
die haar kleineert, kent Zutphen niet, hij liegt, of loog.
Heil U! Zutphen, Heil U! onze stad,
groot door traditie, groot door ’t geschiedenisblad.
Het jaar erop pakte Revelman groot uit met een dichtwerk getiteld ‘Zutphen, ter gelegenheid van den verjaardag en herdenking der 10-jarige regeering van Hare Majesteit, Koningin Wilhelmina’ op 31 augustus 1908.
Onderdeel van dit werk is een verslag van een wedstrijd onder de ‘jongelui’ van Zutphen om wie de smaakvolst versierde fiets had.
10 uur voormiddags ziedaar,
een groote, blijde schaar,
van Jongedames, Jongeheeren,
die met hun versierde rijwielen, de feestvreugd vermeêren.
De Jongedames zijn hupsch, gracielijk, fleurig,
Toilet, fiets, alles snoezig en keurig.
De Jongens, van echt Hollandschen aard,
Hebben tijd nog moeite, aan hun rijwiel gespaard.
Had Revelman in zijn eerder gedichten telkens onderwerpen genomen waaraan hij zich als middenstander geen buil kon vallen, zoals de herfst, Sinterklaas, de kermis enz., nu kwam zijn dichterschap lelijk in de knel met zijn zakelijke belangen. Wilde hij zich als winkelier niet in de vingers snijden en het risico nemen klanten te verliezen, dan moest hij wel alle deelnemers in zijn gedicht vermelden.
En dat deed hij dus ook. Nadat hij de juryleden heeft genoemd (‘Het zijn: Mevr. van Eldik-Garsen, Mej. E. Biermasz, Mej. G. Pelgrum, die / ik met den Heer H. Makkink en den Heer A. v/d Rande op de juryplaats zie’), komen de deelnemers aan de beurt., te beginnen met ‘de jongedames en meisjes’: B. Makkink, L. Revelman, M. Schoonman, G. v/d Worp, A. en M. Roelofs, H. Oostenberg, J. Knegtjens, A. Schreuder, W. Mast, J. Nengerman. L. Lenderink. En verder J. ten Kate, A. Mellink, R. Schaap, S. Poppes en P. Vomberg. Gevolgd door de jongens: A. Garsen, M.J. v. Dijl, C.W. v. Rije, A. Weenink, H. de Jonge, J.H. Kelderman, J. Verharen, J. Verhaaft, J. Poelders en P. Buitenhuis.
Zijn we er dan?
Nee, want er waren ook nog deelnemers die van hun fiets een ‘voorstelling hadden gemaakt, te weten J.C. Altena, A. Makkink, A. v. Eldik, A. Schmidt, B. Bos, L. Schoonman, I. v/d Worp, W. Oosterberg, A.A. Weenink, I. Baks, C. Mellink, A. Gerritsen en C. Schaap. En niet te vergeten waren er ook nog ‘aardige versieringen van P.A. Roelofs en A. v/d Kreeke: deze, zoals hij nuchter vaststelde
…sluiten de lijst,
welke doet zien, dat alles op een flinke deelneming wijst.
Inderdaad.
Herman Revelman, de dichtende drogist, schreef wat je zou kunnen noemen middenstandspoëzie. Zijn gedichten bezorgden hem behalve plezier ook klanten. Door over plaatselijke onderwerpen te schrijven was hij een soort stadsdichter avant la lettre.
Op 12 januari 1931, twee dagen na zijn overlijden, verscheen in de Zutphense Courant een bericht, waarin zijn dichtkunst niet werd genoemd. De rouwadvertentie verzocht ‘Geen bezoek. Geen bloemen.’
