Inparkeren
Er moet toch minimaal twee auto’s de ruimte zijn, liever nog twee en een half, anders rijd ik door. En dus kom ik meestal ergens verderop in het dorp uit, op een gemakkelijke parkeerplaats, een paar honderd meter lopen naar de bestemming, geen enkel probleem, vaak zelfs een zeer welkom stukje lichaamsbeweging. Doorgaans doe ik in Hengelo vrijwel alles met de fiets, maar deze zaterdag ben ik op pad geweest en is het plan om onderweg naar huis met de auto even te stoppen bij één van de lokale bakkers. Parkeerplaatsen voor de deur, ideaal! Moeten ze wel vrij zijn. Liefst twee stuks ook nog, dat lijkt een utopie op de zaterdag.
Rijdt daar nou net een auto weg? Yes, ik heb geluk! Daar opent zich een ruimte die zelfs mij uitnodigt tot inparkeren. Voorwaarts welteverstaan. En het mag op deze manier geen naam hebben. Appeltje, eitje, hier kan nauwelijks iets aan misgaan. Gebeurt ook niet, er wordt me geen strobreed in de weg gelegd. Toch na het uitstappen enige vorm van trots. Kijk hoe mooi de bolide in het vak staat. In een moderne auto had je dat al kunnen zien op een schermpje, in mijn kleine bescheiden ietwat gedateerde wagen nog niet. Zelfs geen piepjes, alles geheel op gevoel.
In Amsterdam hadden ze me erom uitgelachen. Kijk hem nou trots zijn, een plek gevonden in een zee van ruimte. Laat ze maar lachen. Ik moet er niet aan denken te moeten inparkeren in een krap luchtledig stukje hoofdstad tussen twee auto’s, daarnaast de gracht als extra moeilijkheidsgraad, daar waar het niet draait om meters of decimeters, maar om centimeters. Dan ben ik het type dat de auto ergens buiten de stad bij een station parkeert en de trein naar hartje stad pak. Zoals ik ook bij de supermarkt of het tuincentrum nooit degene ben die pal voor de ingang parkeert.
De echte uitdaging zit ’m in zo’n straatje. Veel op geoefend, pakweg twintig jaar geleden. In de auto naast wijlen Albert Weijers – de fles wijn met proficiat-etiket staat hier nog ongeopend in de kast – ging er vrijwel geen rijles voorbij zonder die geliefde oefening. ‘Zet ’m hier maar even stil, gaan we ’m daar even tussen zetten’, klonk het dan. Achteruit dus. Ging dan week na week een beetje beter, totdat het zo ongeveer een computerspelletje was. Al wist ik toen al: dit ga ik later anders oplossen. Gaat tot op heden prima.
Het wordt uiteraard een ander verhaal als je slecht ter been bent, of mensen bij je hebt die slecht ter been zijn. Dan liefst zo kort mogelijk bij het eetcafé, het ziekenhuis, de supermarkt, de bakker. Het zijn zorgen voor later, al is het misschien ook wel voor hen dat ik die plek graag laat. Ik kan een stukje lopen. Voor nu is het brood binnen, ik rijd zonder enige moeite weer uit het vak. De soepelheid van dit hele gebeuren doet de gemoedstoestand deze zaterdag meer dan goed. Wat is het heerlijk leven in de Achterhoek, met ook in je hoofd steevast minimaal twee auto's de ruimte.