
Annegreet van Bergen. Foto: Ingrid Zweverink
'Die Jehova zal nooit eerder hebben gehoord: geen tijd, mijn man wordt zo begraven'
ACHTERHOEK - In Veur de Draod beantwoorden Bekende Achterhoekers stellingen. Wie antwoordt legt zijn ziel bloot. In deze aflevering Annegreet van Bergen (72) uit Zutphen. De bestseller schrijfster van onder meer Gouden Jaren heeft een nieuw boek over de dood, liefde en rouw.
Door André Valkeman
1) Mijn mentale bui is:
“Heel dubbel. Er is een nieuw boek, dat nú uitkomt. Over Liefde. Er is veel belangstelling voor in de media. Dat is prachtig. Maar het is ook het eerste boek waar mijn man Pieter geen getuige van is. Dat is verdrietig. Het gaat over zijn dood in het bijzonder. Maar ook over hoe we in Nederland in zijn algemeenheid in de loop der jaren anders zijn omgegaan met ziekte, uitvaart en rouwen. Ik vertel ook over mijn eigen rouw en het verlies van Pieter. Ik voel nu verdriet en opgetogenheid.”
2) Ik lijk het meest op 'mien va/mo':
“Mijn kin is toch erg mijn vader. Mijn wat zachte ogen mijn moeder? Denk ik. Maar hoe ouder ik word, hoe meer ik op mijn vaders kant van de familie lijk.
Over karakter kan ik meer zeggen. Van mijn moeder kreeg ik een fantastisch geheugen mee. Gebeurtenissen, mensen die naast ons woonden, veel weet ik nog. Mijn moeder wist op haar sterfbed ook vrijwel alles nog.
Mijn vader werd redelijk zwaar op de hand. Ik word juist luchtiger bij het ouder worden. Mijn leven lichter. Het oog voor detail heb ik wel van hem. Genieten van kleine dingen. Een klein doosje en dan vertellen hoe ingenieus dat in elkaar zat. Zo houd ik van lege slakkenhuisjes bijvoorbeeld.
Dat oog voor detail én dat geheugen zijn mij allebeide van pas gekomen in het schrijven van mijn boeken.”
3) Dit is mijn grootste angst:
“Dat Pieter dood zou gaan. De grootste angst is bewaarheid. En zie, dan word ik emotioneel. Toch een kleine traan. Pieter was elf jaar ouder. Het is gebeurd en doordat het ergste gebeurd is, sta ik nu redelijk onverschrokken in het leven.”
4) Na de dood is er:
“Mijn beide ouders waren atheïstische humanisten, iets waar ik mij nooit tegen af heb gezet, omdat ik die levensvisie geloof. Je komt uit het niets en je gaat naar het eeuwige niets. Sommigen denken daar anders over. Het lijkt mij volstrekt onlogisch dat er iets is.
Als anderen troost halen uit zoiets als een hemel, gun ik ze dat. Heerlijk.
Al hoop ik dan bij sommigen dat er dan ook een verschrikkelijke hel bestaat. Bij wie ik dat hoop? Ik noem geen namen, maar kijk naar de oorlogen en wereldleiders in het nieuws.”
5) De afbraak is begonnen:
“Gouden Jaren, mijn grootste boek, gaat over hoe ons dagelijks leven in een halve eeuw onvoorstelbaar is veranderd door de economische groei.
Dat schreef ik toen tamelijk onbevangen, zo dacht ik ook over die groei toen. Moest ik het nu schrijven, dan zou ik dat niet meer op die wijze kunnen.
Op medisch gebied zijn er nog steeds veel verworvenheden. Hoe we wonen ook. De douche in plaats van de teil.
Alleen de laatste jaren zie ik de schaduwzijde van het neoliberalisme. En het daaruit voortvloeiende extremisme en wantrouwen in de overheid.
Mensen hebben niet in gelijke mate kunnen profiteren van de economische groei en verworvenheden en dat wreekt zich nu. Die ene wordt extreem rijk, de ander sappelt. Daar ontstaat rancune uit.
Instituties die met de groei opgebouwd werden, worden betwist en op de proef gesteld, uit die rancune. Een wel trieste tendens, want dingen afbreken is makkelijker dan opnieuw opbouwen.
Economische groei? Het kan nog steeds. Maar goede groei. Een andere landbouw. Meer cultuur en musea bezoeken, dat is óók economische groei.
Denk aan geen vervuiling, geen oorlog, maar kwalitatieve groei. In die eventuele omwenteling breken we niets af, maar bouwen we weer iets op.”
6) Ik kan buiten de Achterhoek wonen:
“Zeker. Ik woonde in Amsterdam en ook in Enschede. De streek de Achterhoek betekent steeds meer voor mij. Ik vind Twente, mijn geboortestreek, en Achterhoek trouwens bijna synoniem.
In Amsterdam is een gevecht om de openbare ruimte. Die onrust broeit in de stad. Hier is de rust van de ruimte.
Ik groet net als in de Achterhoek graag mensen op straat. Dat doe ik ook als ik nog in Amsterdam ben en dan voel ik mij provinciaal. Want er is vaak verbazing bij de passant die je groet.’’
7) Hierom lachte ik voor het laatst heel hard:
“Maf, ik lachte zelfs nog op de dag van Pieters begrafenis. Ik bereidde mij voor en de begrafenisondernemer zou mij om elf uur ophalen. Om tien uur ging de bel, ik doe open: een Jehova-getuige.
Intern lachte ik onbedaarlijk, extern heb ik mijn grijns onderdrukt. Zoiets valt niet te verzinnen.
Zo’n Getuige zal alle smoezen hebben gehoord, waarom iemand geen tijd heeft, maar hij zal toch nooit eerlijk en oprecht hebben meegekregen: “‘Sorry, even geen tijd, mijn man wordt straks begraven’.’’
8) De mens is monogaam:
“Of dé mens het is weet ik niet. We kunnen het hooguit over dit mens hebben. N is één.
Als jonge vrouw was ik bepaald niet monogaam. Toen ik Pieter leerde kennen ben ik nooit vreemdgegaan en waren wij elkaar trouw. Dat kostte geen moeite. Als de liefde dermate compleet is, is er geen behoefte aan een ander.’’
9) Mensen met een accent zijn:
"Heb ik daar nou een oordeel over?
Ligt eraan welke, haha. Mijn moeder sprak heel mooi Twents. Zoals in de film De beentjes Van Sint-Hildegard. Maar Twents kan ook heel zeurderig uitgesproken worden. Cóóóóla, bijvoorbeeld. Vind ik lelijk.
Je hebt sympathieke sprekers en onsympathieke sprekers. Zoals mensen zijn. Het zegt dus niet zoveel over mensen.’’
10) Dit komt er op mijn grafsteen:
"Ik krijg een boomschijf, liggend naast mijn man op natuurplaats Schapenmeer. Mijn geboorte en sterfjaar en mijn naam. Dat is wat het is en meer niet.''