Kotten, zoals de NJN het zag
Het landschap om ons heen is de afgelopen honderd jaar sterk veranderd, maar wie weet dat nog? Wie kan zich nog het landschap van zijn jeugd voor ogen halen, met de vogels en planten die daarbij hoorden? Natuurlijk, vage beelden zal iedereen die in natuur en landschap geïnteresseerd is nog wel hebben. Maar je echt een beeld oproepen, meer in detail? En een voorstelling maken van het landschap waarin je ouders opgroeiden, of je grootouders, dat is al helemaal onbegonnen werk. Simpelweg omdat het verdwenen is en je het nooit hebt gezien. Hoe het landschap er nu uitziet, dat is ons referentiepunt, daarmee vergelijken en beoordelen we de natuur om ons heen.
Een weiland met paardenbloemen noemen we al bloemrijk, helemaal als er op een nat plekje of langs de slootrand ook een paar pinksterbloemen staan. Dat er geen weidevogels meer rondvliegen, vinden we heel normaal. "Was dat vroeger dan wel zo?”, vragen onze kinderen. Zij weten niet beter dan dat een weiland een groene grasvlakte is waar Engels raaigras domineert en nauwelijks tot geen ruimte meer is voor ander leven.
Het bovenstaande schoot door me heen toen ik onlangs in het Vosseveld wandelde en thuisgekomen het boek Kotten, zoals de N.J.N (Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie, opgericht in 1920). het zag erbij pakte. Het verhaalt van de omzwervingen die in natuur geïnteresseerde jongeren uit het hele land maakten rondom het Kotten van honderd jaar geleden. Ongeveer in de tijd dat mijn ouders werden geboren en mijn grootouders in de twintig waren. In 1926 logeerden ze voor het eerst op boerderij Wiltershaar (nu de gelijknamige camping) in Kotten dat vanaf 1929 hun vaste plek voor het jaarlijkse zomerkamp werd. Hun tenten zetten ze op aan de overkant van de weg, een eindje het Vosseveld in. Op een stuk dat de Vaaltwiesbulten werd genoemd. Een wat hoger gelegen schrale weide, waarschijnlijk deels nog heide, waar ook plaggen werden gestoken voor de potstal. Nu staan er zomerhuisjes. De natuur die zij er aantroffen - zeker ook de plantengroei - is overweldigend; het hele boek getuigt ervan. Toch dienden de verandering zich ook toen al aan: "De eene heide na de andere verdween, vennetje na vennetje werd opgeofferd: steeds verder drongen de groene, vlakke, rechte weiden het land in.” In de beginjaren werden ze vaak vergezeld door de Winterswijkse bankdirecteur en natuurliefhebber Mr. Ten Houten (1874-1933) en later ook door meester Meinen (1881-1934), schoolhoofd van de lagere school in Kotten. Ten Houten wist nog te vertellen hoe mooi het Vosseveld eertijds was. "Hij had hier nog met jeneverbessen begroeide uitgestrekte heidevelden gekend, waar tal van vennetjes blonken, waar wulpen, grutto's en korhoenders broedden …”. Dat alles was toen al verdwenen, maar mijn grootouders zouden er gewandeld kunnen hebben. Ook het landschap zoals de jonge NJN'ers het kenden, bestaat niet meer. Mijn ouders zouden er gefietst kunnen hebben. In de loop van drie, vier generaties is het Vosseveld onherkenbaar veranderd. Hopelijk is de volgende verandering een positieve: dat we van onze kleinkinderen de vraag krijgen: "Stonden er dan echt helemaal geen bloemen in het gras opa?”